FAQ's

  • Wanneer heb ik een MER nodig?

    In de milieuwetgeving worden de categorieën van m.e.r.-plichtige projecten afgebakend. Daarnaast is er eveneens een lijst met de categorieën van projecten waarvoor er een gemotiveerd verzoek tot ontheffing kan ingediend. De indeling in categorieën houdt rekening met het type van de activiteit en de capaciteit ervan (zie MER-besluit_2004). Indien u niet binnen één van de vermelde categorieën valt, dan is het project niet m.e.r.-plichtig.

    Door de omzendbrief LNE 2011/1 kan evenwel noodzakelijk zijn dat er bij de vergunningsaanvraag een m.e.r.-screening wordt toegevoegd, ook al valt het project niet onder één van de hogervermelde categorieën.

    In het eigenlijke MER worden de te verwachten effecten voor de verschillende disciplines (Lucht, Water, Bodem, Fauna & Flora,…)  beschreven, en dienen er, indien nodig, milderende maatregelen voorgesteld te worden. Tijdens een overlegronde wordt het dossier ter inzage gelegd in de betrokken gemeente, en wordt het opgestuurd naar verschillende overheidsinstanties. Zij krijgen dan de kans om hun opmerkingen/aandachtspunten op het dossier te formuleren en deze worden dan verwerkt in de richtlijnen voor het MER. Aan de hand van deze bundel wordt dan het definitieve MER opgesteld. 

  • Hoe verloopt de m.e.r.-procedure?

    Na een bedrijfsbezoek, waarbij de noodzakelijke gegevens verzameld worden, en de aanstelling van de erkende deskundigen kan de procedure van start gaan. In een kennisgevingsdossier worden de huidige en de gewenste bedrijfssituatie beschreven, alsook de ruime omgeving van de projectlocatie en de te volgen werkwijze voor het MER. Dit dossier zal vervolgens in de betrokken gemeente ter inzage gelegd worden voor de omwonenden en andere geïnteresseerde partijen, alsook bezorgd worden aan betrokken instanties (zoals VLM). Alle opmerkingen worden vervolgens verzameld en gebundeld in een aantal richtlijnen. Aan de hand van deze bundel wordt het eigenlijke MER opgesteld. Bij een ontheffing is er geen kennisgevingsfase, waardoor de procedure korter is dan bij een MER.

    Na de goedkeuring van het MER of de ontheffing door de Dienst Mer wordt deze bij de vergunningsaanvraag gevoegd. Mogelijke milderende maatregelen kunnen dan als bijkomende voorwaarde in de milieuvergunning opgenomen worden.

    Bij het opstellen van de dossiers doet eco-scan steeds beroep op erkende deskundigen voor de disciplines Lucht, Bodem, Water en Fauna & Flora. Indien nodig (vereist door de overheid) wordt er voor andere disciplines (Geluid, Mens, Landschap, …) eveneens beroep gedaan op erkende deskundigen. Alle dossiers worden in nauw contact met de klant, de overheid en de deskundigen opgesteld.

  • Wat is een m.e.r.-screening en wanneer heb ik er één nodig?

    Een m.e.r.-screening is een screeningsprocedure die wordt toegevoegd aan zowel een milieuvergunningsaanvraag als aan een stedenbouwkundige aanvraag voor projecten die de drempel van bijlage II (deze van een gemotiveerd verzoek tot ontheffing) niet overschrijden. De procedure is vereist voor projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen teweeg brengen, dit door de omzendbrief LNE 2011/1. Waar men vroeger enkel rekening hield met de omvang van het project, worden nu ook de aard en de ligging in beschouwing genomen. De screeningsnota wordt toegevoegd aan de aanvraag en maakt deel uit van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek. Hierbij wordt dan beslist of er al dan niet een project-m.e.r. nodig is voor de aanvraag. Is dit het geval dan wordt de vergunningsaanvraag van rechtswege onvolledig verklaard. 

  • Hoe worden geuremissies door landbouwbedrijven bepaald en geëvalueerd?

    Voor het maken van een bedrijfsspecifieke evaluatie van de emissies wordt gebruik gemaakt van het Immissie Frequentie Distributie Model (IFDM) van het VITO. Hierbij wordt het bedrijf opgedeeld in een aantal geurbronnen (puntbronnen) rekening houdend met de specifieke bedrijfssituatie. Meestal wordt iedere stal als een afzonderlijke geurbron aanzien, en wordt aan iedere stal een zekere emissie toegekend (op basis van het aantal dieren en de bijhorende emissiefactor). Er wordt hierbij gebruik gemaakt van gestandardiseerde geuremissiefactoren, die werden afgeleid voor verschillende diersoorten en die zijn gekoppeld aan het gebruikte stalsysteem. Daarnaast wordt er ook rekening gehouden met andere activiteiten, zoals het verwerken van mest, die ook een zekere geuremissie met zich mee kunnen brengen. Indien het bedrijf behoort tot een bronnencluster (meerder bronnen met een gelijkaardig geurkarakter), zullen de vergunningen van de andere bedrijven die deel uitmaken van de bronnencluster, bij de gemeente opgevraagd worden. De geuremissie van deze bedrijven wordt dan mee opgenomen in het model.

    De evaluatie van de bekomen geuremissies gebeurt op de basis van verschillende hinderzones, die gebaseerd zijn op de geurconcentratie in de omgeving. Het gebruikte toetsingskader is afhankelijk van het feit of het om een individuele toetsing gaat (enkel het betrokken bedrijf) of over een bronnencluster (rekening houdend met omliggende bedrijven). Indien er sprake is van onaanvaardbare hinder, dan dient er gezocht te worden naar mogelijke milderende maatregelen die de hinder terug brengen tot een aanvaardbaar niveau. 

    Een dergelijke evaluatie van de geuremissie van uw bedrijf kan gevraagd worden in het kader van een vergunningsaanvraag. Recent werd echter in een omzendbrief van LNE 2012/1 gesteld dat landbouwbedrijven met stallen, die nog niet uitgerust zijn met een stalsysteem dat voorkomt op de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen, en die ernstige klachten veroorzaken, er naar mogelijke maatregelen gezocht moet worden voor de bestaande stallen.

  • Wat is het verschil tussen een mobiliteitstoets en een mobiliteitseffectenrapport (MOBER)?

    Een mobiliteitstoets is een beknopte nota voor projecten met een eerder beperkte mobiliteitsimpact. Het is een instrument dat aangeeft of er flankerende of milderende maatregelen nodig zijn voordat het project gerealiseerd wordt. De mobiliteitstoets wordt ook een mini-MOBER genoemd. Een MOBER dient geschreven te worden voor projecten of plannen met een belangrijke mobiliteitsimpact, waarbij er veel aandacht wordt besteed aan het kwantificeren van de impact. Het kan ook blijken uit de mobiliteitstoets dat de impact zodanig groot zal zijn dat het nodig is om een MOBER op te maken.

  • Wat is de opbouw van een mobiliteitseffectenrapport (MOBER)?

    Een MOBER moet volgende onderdelen bevatten:

    • Bereikbaarheidsprofiel: beschrijving van hoe de locatie kan bereikt worden
    • Mobiliteitsprofiel: beschrijving verkeersproductie en –attractie, de vervoerswijzekeuze, ritgeneratie en parkeerbehoefte
    • Confrontatie bereikbaarheidsprofiel met mobiliteitsprofiel: de te verwachten effecten
      • Capaciteitsbeoordeling
      • Parkeerbehoefteraming
      • Overige mobiliteitseffecten
        • Verkeersveiligheid
        • Verkeersleefbaarheid
        • Oversteekbaarheid
    • Verkeerstechnische en flankerende maatregelen
    • Sensitiviteitstoets
    • Conclusie

  • Wanneer dient een mobiliteitstoets geschreven te worden en wanneer een mobiliteitseffectenrapport (MOBER)?

    Er zijn grenswaarden opgelegd die aangeven wanneer een mobiliteitstoets en wanneer een MOBER dienen opgesteld te worden. Deze staan opgesomd in het Richtlijnenboek Mobiliteitseffectenstudies van de Vlaamse Overheid. De grenzen die voorgesteld worden voor de opmaak van een mobiliteitstoets zijn enkel richtinggevend. Sinds 1 september 2009 is het opstellen van een MOBER verplicht bij de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning van sommige projecten. De opsomming over welke projecten dit gaat is eveneens opgesomd in het Richtlijnenboek Mobiliteitseffectenstudies. Bovenvermelde mobiliteitsstudies zijn niet verplicht wanneer de mobiliteitseffecten al eerder werden onderzocht als onderdeel van een milieueffectrapport (MER) of een verkavelingsvergunning.

  • Wanneer dient er een natuurtoets uitgevoerd te worden?

    Een natuurtoets dient uitgevoerd te worden indien een project schade kan toebrengen aan de natuurwaarde in de omgeving van een projectlocatie. Indien een project in of tegen een Natura 2000 gebied gelegen is (vogel- of habitatrichtlijngebied), dient in een passende beoordeling (habitattoets) onderzocht te worden of er negatieve effecten kunnen optreden. Projecten in de buurt van Natura 2000-gebieden kunnen enkel doorgaan indien de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast worden. Indien er aanwijzingen zijn dat dit kan gebeuren, dient onderzocht te worden hoe deze effecten gemilderd kunnen worden. Zo moet vermijdbare schade voorkomen worden. Indien alsnog tot uitvoering wordt besloten, dit om dwingende redenen van groot openbaar belang, dienen alle nodige compenserende maatregelen genomen te worden, om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Een verscherpte natuurtoets dient uitgevoerd te worden indien het project een VEN-gebied kan beïnvloeden. 

  • Wanneer moet ik een bosbeheerplan opstellen?

    Het Bosdecreet, art. 43 bepaalt voor welke bossen en door wie er een bosbeheerplan moet opgesteld worden. Hierbij dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen beperkte en uitgebreide bosbeheerplannen. Het beperkte beheerplan is van toepassing voor privébossen vanaf 5 ha die gelegen zijn buiten de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN). Een beperkt beheerplan kan ook vrijwillig opgemaakt worden voor bossen buiten het VEN, die kleiner zijn dan 5 ha.

    Uitgebreide bosbeheerplannen worden opgemaakt voor:

    • alle domeinbossen ongeacht hun grootte (bossen eigendom van de Vlaamse overheid, of andere openbare bossen waarvan het volledige beheer wordt uitgevoerd door het ANB);
    • alle openbare bossen ongeacht hun grootte (eigendom van steden, gemeentes, provincies, kerkfabrieken, OCMW’s, publiekrechterlijke instellingen …);
    • privébossen van minstens 5 ha binnen het VEN. Een uitgebreid beheerplan kan ook vrijwillig opgemaakt worden waar dit strikt genomen niet vereist is.

    Alle uitgebreide bosbeheerplannen moeten voldoen aan de criteria voor duurzaam bosbeheer (CDB) zoals vastgelegd in het BVR van 27 juni 2003 ‘tot vaststelling van de criteria voor duurzaam bosbeheer voor bossen gelegen in het Vlaamse gewest.’ Dus ook de uitgebreide bosbeheerplannen voor privébos buiten het VEN die vrijwillig opgesteld worden (art. 4§2 van het besluit). Enkel wanneer een uitgebreid bosbeheerplan opgemaakt is komt het bos in aanmerking om een FSC-label aan te vragen. Het opstellen van een uitgebreid bosbeheerplan is niet eenvoudig en gebeurt in de praktijk vaak door studiebureaus. Voor het opstellen van een uitgebreid bosbeheerplan, op vrijwillige basis of voortvloeiend uit een wettelijke verplichting, kun je een subsidie krijgen die zo goed als alle kosten dekt. Om de 5 jaar worden de goedgekeurde bosbeheerplannen door het ANB geëvalueerd.

  • Wat zijn de voordelen van een bosbeheerplan?

    Alle werkzaamheden die in een goedgekeurd beheerplan beschreven worden, zijn niet meer vergunningsplichtig volgens het Bosdecreet. Wanneer je een goedgekeurd bosbeheerplan hebt, ben je ook vrijgesteld van de natuurvergunningsplicht. Voor bepaalde werken is er wel nog een stedenbouwkundige vergunning nodig.

  • Welke beheerplannen bestaan er nog?

    Met de huidige regelgeving bestaan er voor beheer van bos en natuur naast het bosbeheerplan nog meerdere types beheerplannen, met elk een eigen vorm en procedure: 

    • Bosreservaat
    • Beheerplan voor Harmonisch Park- en groenbeheer (HPG)
    • Het landschapsbeheerplan
    • Beheerplan voor een aangewezen of erkend natuurreservaat

    Het Agentschap voor Natuur en Bos werkt aan de integratie van deze verschillende types beheerplannen tot één nieuw concept voor een geïntegreerd beheerplan, zodat het voor de beheerder van bos- en natuurterreinen een pak eenvoudiger wordt om één beheerplan op maat van het eigen terrein te maken en tegelijkertijd toch te voldoen aan de vereisten van de verschillende regelgevingen. In afwachting van de resultaten van dit project wil het Agentschap voor Natuur en Bos nu al het opstellen van geïntegreerde beheerplannen aanmoedigen. In onderling overleg wordt voor elk beheerplan met de beheerder besproken welke informatie in het beheerplan nodig is en op welke manier de verschillende goedkeuringsprocedures zo vlot mogelijk kunnen doorlopen worden.

  • Waarvoor kan ik terecht in het geluidslabo?

    Ons geluidslabo bestaat uit vier ruimtes. Een eerste ruimte is de reveberation room (= galmkamer). Hier wordt de nagalmtijd gemeten. Aan de hand van de nagalmtijd kan zowel absorptie van materialen als geluidsvermogen van machines gemeten worden. Daarnaast beschikt het labo ook over een semi-anachoic room. In deze ruimte kan tevens het geluidsvermogen van machines bepaald worden. Daarnaast worden drumnoise metingen uitgevoerd in deze kamer. Verder beschikt ons labo nog over twee transmissie kamers (een kleine transmissiekamer voor kleinere elementen en een grote transmissiekamer voor onder meer deuren en muren te meten). In deze kamers wordt de geluidsisolatie van elementen bepaald. In het labo kan zowel horizontale als verticale luchtgeluidstransmissie gemeten worden. Daarnaast kan er eveneens contactgeluid gemeten worden in het labo.

    Ons labo is geaccrediteerd voor het meten van

    - luchtgeluidsisolatie in beide transmissiekamers;

    - contactgeluidsisolatie;

    - geluidsabsorptie in de nagalmkamer;

    - geluidstransmissie en geluidsabsorptie van verkeersschermen;

    - drumnoise;

    - geluidsvermogen in zowel semi-anachoïsche kamer als in nagalmkamer.

    In ons labo worden ook niet-geaccrediteerde metingen uitgevoerd, bijvoorbeeld voor regen-impactlawaai of in de impedance tube (absorptie).

    Naast de metingen in het labo wordt er indien gewenst eveneens aan co-engineering gedaan in het labo. Er wordt actief meegezocht hoe geluid verbeterd kan worden, hoe aan bepaalde normen kan voldaan worden. Indien u specifieke metingen wenst, die hier niet vernoemd werden, kan u best contact opnemen met eco-scan noise. Dan kunnen uw wensen verder besproken worden.