Menu

Geur- en ammoniakmodelleringen

Bij geurmodellering wordt de impact van geurbronnen op de omgeving onderzocht. Hierbij wordt niet enkel rekening gehouden met de geurbronnen en -kenmerken van het desbetreffende bedrijf, maar worden, indien van toepassing, ook omliggende bedrijven met gelijkaardige geurbronnen in rekening gebracht. Op die manier wordt een zo volledig mogelijk beeld geschetst van de werkelijke geurconcentratie. Bij de geurmodellering gaat de aandacht vooral uit naar omliggende woonzones en woningen in de directe omgeving van het bedrijf. 

De ammoniakmodellering stelt ons in staat om de verzurende en vermestende invloed van het bedrijf op de omgeving te modelleren. Dit is vooral belangrijk voor de omliggende flora. Bij de ammoniakmodellering gaat speciale aandacht uit naar de invloed van de ammoniakemissies van het bedrijf op omliggende erkende natuurgebieden, zoals richtlijngebieden, VEN- of IVON gebieden en reservaten, alsook Natura 2000-gebieden. Zowel de geur- als ammoniakmodellering gebeurt met behulp van het model IFDM (ontwikkeld door het Vito).

FAQs

02 Geur- en ammoniakmodelleringen

  • Hoe worden geuremissies door landbouwbedrijven bepaald en geëvalueerd?

    Voor het maken van een bedrijfsspecifieke evaluatie van de emissies wordt gebruik gemaakt van het Immissie Frequentie Distributie Model (IFDM) van het VITO. Hierbij wordt het bedrijf opgedeeld in een aantal geurbronnen (puntbronnen) rekening houdend met de specifieke bedrijfssituatie. Meestal wordt iedere stal als een afzonderlijke geurbron aanzien, en wordt aan iedere stal een zekere emissie toegekend (op basis van het aantal dieren en de bijhorende emissiefactor). Er wordt hierbij gebruik gemaakt van gestandardiseerde geuremissiefactoren, die werden afgeleid voor verschillende diersoorten en die zijn gekoppeld aan het gebruikte stalsysteem. Daarnaast wordt er ook rekening gehouden met andere activiteiten, zoals het verwerken van mest, die ook een zekere geuremissie met zich mee kunnen brengen. Indien het bedrijf behoort tot een bronnencluster (meerder bronnen met een gelijkaardig geurkarakter), zullen de vergunningen van de andere bedrijven die deel uitmaken van de bronnencluster, bij de gemeente opgevraagd worden. De geuremissie van deze bedrijven wordt dan mee opgenomen in het model.

    De evaluatie van de bekomen geuremissies gebeurt op de basis van verschillende hinderzones, die gebaseerd zijn op de geurconcentratie in de omgeving. Het gebruikte toetsingskader is afhankelijk van het feit of het om een individuele toetsing gaat (enkel het betrokken bedrijf) of over een bronnencluster (rekening houdend met omliggende bedrijven). Indien er sprake is van onaanvaardbare hinder, dan dient er gezocht te worden naar mogelijke milderende maatregelen die de hinder terug brengen tot een aanvaardbaar niveau. 

    Een dergelijke evaluatie van de geuremissie van uw bedrijf kan gevraagd worden in het kader van een vergunningsaanvraag. Recent werd echter in een omzendbrief van LNE 2012/1 gesteld dat landbouwbedrijven met stallen, die nog niet uitgerust zijn met een stalsysteem dat voorkomt op de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen, en die ernstige klachten veroorzaken, er naar mogelijke maatregelen gezocht moet worden voor de bestaande stallen.